Nader dan het lachen
Als je geen fatsoenlijk woord kunt uitbrengen, maar wel als een halve autist gedurende de kwalitatief beruchte uren van de dag een bal tegen een garagedeur kunt trappen – keer op keer – is de kans groot dat je binnen een paar jaar in een veel te grote SUV mag rondrijden. Gefeliciteerd, je bent officieel zwakzinnig en profvoetballer. Als je ook nog geluk hebt, ben je continent, voor twee keer drie kwartier.
Ik zou je mijn post nog niet laten bezorgen, ik zou je mijn boodschappen niet laten afrekeken, nee ik zou je zelfs niet mijn openbaarvervoersmiddelen laten besturen. Zelfs geen tram.
Voetballer zijn. Het is vast een roeping, of een primaire prikkel voortkomend uit instinct. Het is zeker geen pasklare oplossing voor iedereen die uit het vmbo dreigt te rollen. Zoveel vacatures voor centrale verdediger bij NAC, NEC of PEC zijn er ook weer niet.
Dat zou allemaal niet zo erg zijn, als ons de zendtijd er niet volledig mee werd gevuld, publiek en elders. Avond aan avond het spelen van het spelletje, dat met de dag oninteressanter wordt. En op de avonden dat er niet wordt gespeeld, gaan enkele woordelijk wel begaafden (redelijk tot goed) achter de tafel van discussie erover bomen en grappen en trachten elkaar vliegen af te vangen.
Toegegeven, een slepende solo van 40 meter met als resultaat een punt op het bord, is puur vermaak. Een mooie sliding van Van Hanegem, een hakballetje zoals Madjer, een omhaal van Van Basten; geboetseerde momenten in een collectief geheugen.
Maar wat nu als de speler die een bal over de juiste kalklijn weet te prutsen? Dan wordt er in de schedel, daar waar de gekneusde hersenen van te veel kopballen huizen, gezorgd voor een gevalletje system overload, waardoor producent dezes plots rare bewegingen door de doorontwikkelde spiergroepen laat uitvoeren. Men noemt dit juichen. Voorvoorgaande zin zal de voetballer niks zeggen, juichen als werkwoord wel. Hopelijk.
Dat juichen wordt met de dag gekker. Dit weekend pakte een doelpuntmaker de camera van een fotograaf af, die dicht op de achterlijn zit en hoopt op een wonderkiek, om vervolgens het publiek te gaan fotograferen. Van gekker naar gek.
We hadden al de duimen van Kezman, de strippende Obiku, de plassende hondjes bij de cornervlag, het nagebootste pleebezoek, de vurende spits, de pijl en boog enscenerende raakkopper, de sambadansende en babywiegende Brazilianen en de cokebsnoven Pluisje.
Het wordt met de dag gekker. En mekaar maar nadoen; T-shirtje voor Jezus, kruisjes voor elk wils, hartvormige handjes, wijzen naar de wolkjes en andere hiernamaalse symboliek. Potsierlijk en verbiedenswaardig.
Sowieso zijn alle verwijzingen naar een voorzienigheid in teamsporten wereldvreemd. Wat nu als je als twee voetbalteams jezelf tot hogere machten wendt? Er kan er maar eentje winnen, waarmee het bewijs per definitie is geleverd van het ontbreken van die macht. Of is dat voor een voetballer iets te moeilijk te begrijpen?
